Publicaties Essenties van IMET

Essenties van de Mentaal-Emotieve Training

De Mentaal-Emotieve Training is ontstaan vanuit de jarenlange werkervaring van Rob Zondag. Door te luisteren naar de belevingswereld van individuele clienten en de structuur die daarin verborgen ligt, ontdekte hij zowel veroorzakers en instandhouders van klachten, als ook aanwijzingen voor oplossingen. De belangrijkste inzichten zijn samengevat in de 15 essenties die de basis vormen van de Mentaal-Emotieve Training. 

Hieronder zullen deze 15 essenties één voor één worden toegelicht.

 

Essentie 1 Onvoorwaardelijkheid

Essentie 2 Veiligheid

Essentie 3 Menselijke concept

Essentie 4 Congruentie

Essentie 5 Eén behandelaar, ook bij meerdere of complexe klachten

Essentie 6 Cliënt-georiënteerd interpreteren

Essentie 7 Aandacht aan de aandacht geven

Essentie 8 Overtuigende peptalk

Essentie 9 Kansrijk aan herstelmogelijkheden

Essentie 10 Ordening scheppen

Essentie 11 Psycho-educatie  

Essentie 12 Het bewuste en onbewuste

Essentie 13 Emotie contra cognitie

Essentie 14 Filosofie

Essentie 15 Inspiratie, motivatie, zingeving

 

Essentie 1 Onvoorwaardelijkheid

Onvoorwaardelijkheid is een voorwaarde om onbevooroordeeld naar de belevingswereld van de persoon te luisteren en te kijken. Dat betekent dat de onvoorwaardelijkheid een eigenschap van de begeleider moet zijn. Dit is te leren. Onvoorwaardelijkheid betekent dat de begeleider alle criteria uit de eigen ervarings-, belevings-, wens-, angst- en overtuigingswereld los kan laten om ruimte te creëren voor een nieuwsgierigheid naar de onbekende maar alles bepalende belevingswereld van de ander.    

Universele onvoorwaardelijkheid is binnen de menselijke structuur een illusie. Onvoorwaardelijkheid kan zelfs een voorwaarde zijn en is daarmee een contradictie; het kan ook een lifestyle zijn die ernaar streeft zo min mogelijk gebruik te maken van voorwaarden. IMET begeleiders streven naar deze lifestyle. Dat leerproces is een proces dat steeds verder reikt en nooit ophoudt.

Opdracht: Ga eens na hoe onvoorwaardelijk jij kunt luisteren en waarnemen, door geen andere oordelen over het verhaal van de ander te hebben, door te willen weten wat die ander nu echt bedoelt of beleeft. En hoeveel ruimte geef je jezelf om gewone dingen anders te doen?

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

Essentie 2 Veiligheid

Onderdeel van de onvoorwaardelijkheid is het oprecht aanbieden van veiligheid, respect, vertrouwen en gelijkwaardigheid aan de persoon of de cliënt en diens maatschappelijke omgeving. Niets corrigeren of aanvullen wat niet correspondeert met het concept van de cliënt op dat moment. De cliënt is alles kwijt, ook het vertrouwen in zichzelf en de ander.

De cliënt heeft haar klacht opgebouwd vanuit verlies aan eigenheid. Dit verlies werd veroorzaakt door haar buitenwereld; haar omgeving. Op onbewust niveau heeft zich een afweermechanisme in haar opgebouwd tegenover iedereen die iets van haar wil. Elke buitenstaander wordt gewantrouwd. Om dit vertrouwen te winnen moet de cliënt in staat worden gesteld om zelf tot keuzes te komen hoe zij behandeld wil worden. De eerste kans daarvoor is door in het eerste gesprek zo min mogelijk met haar klacht bezig te zijn, maar een uitgebreide uitleg te geven over de behandeling die via IMET wordt aangeboden.

Het eerste contact moet al een demonstratie zijn van onvoorwaardelijkheid en veiligheid. Niets wordt de cliënt opgelegd, maar er wordt veel uitgelegd. Na het kennismakingsgesprek volgt het kennismakingstraject van drie keer ongeveer anderhalf uur, waarin de persoonlijke integriteit volledig wordt gewaarborgd. De cliënt ervaart een maximale veiligheid. Geen beschuldigingen, geen opgelegd moeten, maar vooral veel begrip en uitleg hoe het proces heeft kunnen ontstaan. Zolang haar veiligheid dat toestaat, krijgt zij demonstraties van methodieken waar de behandelaar gebruik van maakt.

De gelijkwaardigheid begint al met de uitleg van de samenwerking op gelijkwaardige basis. Behandelaar en cliënt werken samen. Zij hebben elkaar nodig om tot oplossingen te komen. De metafoor van de patiënt, de chirurg en de assistent * werkt meestal effectief. De uitleg over gelijkwaardigheid zoals in het spel tussen hond en baasje**, waarin de erkenning van het verschil wordt uitgedrukt, vertelt veel. Maar vooral de congruentie tussen woord en gedrag is van belang.

* De klacht is de patiënt, de cliënt de chirurg en de begeleider de operatieassistent.

** Als een baasje een speelbal voor de hond koopt, moet hij er vanuit gaan dat de bal stukgebeten kan worden, en niet zoals bij een kind onbeschadigd blijft.

Meegaan met de cliënt in diens doelstellingen kan het afweermechanisme verminderen, ook al zijn die ten opzichte van de klacht inefficiënt. Een cliënt die de hele sessie wil staan, met een zware ballast aan haar arm doet dit omdat zij daarmee 12 a 13 kilocalorieën in anderhalf uur verbrandt. Dat toestaan, er zelfs in meegaan, kan voor haar een nieuwe ervaring zijn ten opzichte van eerdere corrigerende ervaringen.

Veiligheid wordt vaak versterkt door de losse structuur van de introducerende gesprekken. Bij binnenkomst van de cliënt krijgt de cliënt iets te drinken aangeboden. Tijdens de organisatie daarvan kan een gesprek beginnen ‘bij de koffiecorner’, gewoon over ditjes en datjes. ‘Gesprek over de schutting met de buurvrouw’ noemen we dat. En gaandeweg kan het gesprek zich verplaatsen naar de ervaringen van de afgelopen dagen, waarbij de gesprekstechniek langzaam overgaat van die van de ‘buurvrouw’ naar die van de behandelaar.

Veiligheid is soms letterlijk afstand nemen tot de cliënt. Wanneer deze afstand vanuit een noodzaak niet genomen kan worden, wordt daar eerst toestemming voor gevraagd. Als de therapeut de cliënt vanuit een interventie even moet aanraken, wordt daar altijd toestemming voor gevraagd, ook al is het altijd goed geweest.

De cliënt heeft vaak een goed afgeschermd verborgen leven. In de loop van de tijd kan zij haar therapeut daar steeds meer deelgenoot van maken. Daar schuilt een groot vertrouwen in dat zij aan haar behandelaar geeft en vaak aan naaste familieleden onthoudt. Als er overleg met ouders of partner moet plaatsvinden, wordt dit overleg eerst met de cliënt doorgesproken. Soms is het handig dit overleg met derden te voeren waar zij bij is. Enerzijds geeft haar dat controle, anderzijds kan dat haar ook helderheid geven hoe anderen met haar probleem en hun eigen problemen omgaan.

Sommige cliënten waarderen het als de behandelaar zo af en toe ook iets over zichzelf vertelt om de gelijkwaardigheid aan te geven. Het wordt dan weer een gesprek met de buurvrouw.

Vaak wordt ook een uit een situatie logisch en spontaan geschenk gewaardeerd. Bijvoorbeeld als iemand aangeeft heel veel waarde toe te kennen aan een figuurtje uit sandplay dat zij als een symbool van zichzelf benoemt. Door dit aan haar mee te geven wordt even de band versterkt en ervaart ze een erkenning dat ze waardevol is. Ook het uitlenen van een (kostbaar) boek over een interessegebied van haar, benadrukt de gezamenlijke interesse.

De behandelaar zorgt ervoor dat zij zowel de professionele begeleider is, als de betrokken, meelevende buurvrouw.

Anita gaf bij het openen van het raam een keer aandacht aan mijn vijver die de halve tuin in beslag neemt. Plotseling zag ze een grote berg gestapelde rozenkwartsstenen liggen. Ze was verrukt want ze vond het zo’n mooie steen. Ik heb haar laten vertellen en was verrast over haar zeer gedetailleerde kennis van de steen en ook van andere stenen. Ze vond het zo jammer dat ze zo duur waren. Een kleine ruwe steen bij de juwelier kostte toch heel veel. En ik had enorme brokken in de tuin liggen. De volgende sessie heb ik haar een steen van mijn vijver gegeven ter grootte van haar hand. Ze durfde hem niet aan te nemen tot ik haar vertelde dat je deze stenen bij een tuincentrum voor nog geen twee euro per kilo koopt. Deze steen heeft een prominente plaats op haar vensterbank gekregen. En ik had inzage gekregen hoe gedetailleerd zij dingen waarneemt, onthoudt en zich ermee verbindt en erover kan vertellen.

Opdracht: Ga eens na hoe je veiligheid kunt bieden aan een ander die de dingen volgens jou verkeerd doet, maar die dit vanuit jouw veilige houding wel wil en gaat veranderen.

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

Essentie 3 Menselijke concept

Om vanuit de eigen structuur iemand te kunnen begeleiden, moeten we de structuur van het menselijke concept kennen en begrijpen. De klacht is immers ontstaan vanuit het conflict tussen het individuele concept en de algemene leerprocessen uit de samenleving.

De samenleving gaat slordig om met de concepten van mensen. Zij kijkt vooral naar de vermogens, talenten, intelligentie en vaardigheden die iemand heeft. Mensen moeten dienstbaar zijn aan de samenleving, of ze moeten gelukkig zijn volgens de normen van hun dierbaren. Mensen zijn elkaars bezit. En de roedel bepaalt in welke hiërarchie iedereen geplaatst wordt.

De zichtbare talenten worden aangesproken, maar hoe zit het met de rest van de persoon, met diens concept, de eigen oorspronkelijke identiteit? Daar wordt geen aandacht aan gegeven. En dat is logisch. De samenleving kent het begrip individueel concept niet. En als het al gekend is, wordt het in het proces van de algemene inzichten verwaarloosd of vanuit de dagelijkse praktijk terzijde geschoven.

Het menselijke concept, zoals IMET dit globaal indeelt, bestaat uit een eenheid waarin zes autonome factoren werkzaam zijn, die een keten aan onderlinge verbindingen met elkaar onderhouden. De eenheid omvat in al deze elementen de factor leven.

Kort samengevat zijn de elementen te onderscheiden in:

1     Inspiratie/Motivatie: beide kunnen een onderscheidende invloed op het geheel kunnen uitoefenen. ‘Welke inspiraties en motivaties heb ik?’

2     Spiritualiteit/Filosofie/Verbondenheid: Niet te beantwoorden vragen worden getransformeerd naar wel te beantwoorden vragen. ‘Wie ben ik? Wat ben ik? En waarom ben ik er?’

3     Vermogens/Criteria: Deze geven die antwoorden aan de Spiritualiteit/Filosofie/Verbondenheid over zingeving.De zeer genuanceerde veelzijdige en specifieke Criteria vormen de drijfveren van waaruit de persoon de dingen doet. Enerzijds het antwoord op ‘wat kan ik allemaal?’ en vervolgens ‘vanuit welke drijfveren doe ik dat dan?’

4     Interne en Externe Beleving: ‘Welke beleving ontstaat uit datgene dat ik doe?’

5     Cognitie en Emotie: ‘Hoe en wat denk ik? En hoe en wat voel ik?’

6     Leven/Realiteit en anderzijds van Overleven/Irrealiteit: ‘Ervaar ik het leven als een rijkdom, als veroveringen en uitdagingen? Of als een gevecht tegen voortdurend verlies en beperking?’

Opdracht: Welke van deze conceptelementen herken je bij jezelf. En hoe reageren deze elementen bij jou op beslissingen en gedrag van jou en op de invloeden van de samenleving of van anderen uit je omgeving?

Het concept is aangeboren en kan vanuit de opvoeding, wanneer deze gericht is op de inspiratie en motivatie van het concept om alles in zichzelf te ontwikkelen, volledig gevoed worden, waardoor zich een volwaardig gezond individu vormt. Vanuit voortschrijdende inzichten kan het steeds verder doorgroeien.

Het concept kan ook ondervoed worden, waardoor het onvolledig wordt en via vicieuze cirkels zich steeds verder in zijn ontwikkeling belemmert. Voortschrijdende inzichten leiden dan tot steeds verdere beperkingen en groeiende angsten die de Overlevingsstrategieën, het Verlies en de Irrealiteit inschakelen.

Maatschappelijke ondervoeding ontstaat als de cliënt conceptvreemde stimulansen uit de samenleving krijgt die direct gericht zijn op de exploitatie van alleen de vermogens, misschien nog ondersteund door niet passende criteria om die aangespoorde vermogens te ondersteunen. Alle andere factoren uit het concept, en met name de eigen inspiratie en motivatie, worden verwaarloosd en ontwikkelen een volkomen chaotische reactie op hun uitsluiting.

De beschadiging die de cliënt vanuit deze dualiteit tussen de structuur van de nabijgelegen samenleving en het eigen concept heeft opgelopen, heeft zich zowel als gewoonte maar ook als cultuur, van “zo is het, en het is niet anders”, in haar vastgezet. Verandering hierin is alleen weer van buitenaf mogelijk.

De cliënt weet niet hoe het eigen concept werkt en hoe zij dit weer toegankelijk kan maken. De buitenwereld heeft de reactie bij haar opgeroepen van weerstand, gevaar en verdediging. Die weerstand richt zich in beginsel ook tegen de hulpverlener die haar weer in contact kan brengen met haar eigen concept. Ze heeft het vertrouwen in zichzelf en in anderen uit de samenleving verloren. Het logische gevolg is dat ze heel veel tijd nodig heeft om het vertrouwen en de stuurkracht weer uit handen te geven.

De hulpverlener zal een andere ingang bij de cliënt moeten gebruiken dan de tot dan gevolgde weg. Niet de directe weg naar de vaardigheden, maar naar de non-specifieke Inspiratie en Motivatie. Vandaar kan het logische spoor bij de cliënt gevolgd worden in het concept, waardoor via logische structuren alles in het concept geactiveerd wordt zoals dat oorspronkelijk zo bij de cliënt bedoeld was.

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

Essentie 4 Congruentie

De cliënt is slachtoffer van incongruentie tussen eigenheid en wat zij leerde. Haar concept is juist gericht op congruentie. De dingen moeten kloppen en volledig zijn. Als zij al als heel klein kind ervaart dat wat zij enerzijds waarneemt en anderzijds leert, niet met elkaar overeenkomt, ontstaat verwarring en verlies van eigenheid. De begeleiding moet daarom zelf congruent zijn en de begeleider moet in al zijn activiteiten naar de cliënt ook congruent zijn. Door een congruente begeleiding aan te bieden, waarin ogenschijnlijke strijdigheden binnen de structuur van de cliënt omgezet kunnen worden naar elkaar versterkende kwaliteiten, ontstaat weer de eigen ordening. Alles moet in alle lagen van de processen, argumenten en belevingen onderling kloppen. Het concept van de persoon is in het algemeen zeer genuanceerd gericht op details en de onderlinge samenhang.    

Een van de eigenschappen in het concept van deze mensen is dat zij op onbewust niveau een totaal overzicht hebben over waar zij mee bezig zijn en wat om hen heen gebeurt. En dat overzicht moet aantonen dat alles compleet en congruent te maken is. Dat is een van de onbewuste doelen van hun leven. Zij leven echter in de illusie dat alles al compleet en congruent beschikbaar zou zijn. En dat zij de dingen vanuit die compleetheid en congruentie kunnen doen. Zij zoeken daardoor naar een basis die er nog niet is.

De persoon vertrouwt niemand, ook zichzelf niet, en ervaart dit doorlopend in haar omgeving omdat mensen dingen beweren die zij zelf niet doen. “Ik wil dat je je vrij en gelukkig ontwikkelt, en ik help je daarbij om het op de juiste manier te doen!”

De mensen die bij IMET in behandeling komen zijn doorgaans bovengemiddeld intelligent en gevoelig. Zij hebben oog voor detail, ook al tonen ze dat niet altijd in hun gedrag en taal. Zij nemen zaken waar en slaan die in hun voorbewuste of onderbewustzijn op, ook al lijken zij nog zo afwezig. Vanuit dat onbewuste doen de strijdige waarnemingen hun verstorende werk in hun structuur. Let zelf maar eens op hoe inconsequent mensen in hun gedrag en uitingen vaak zijn.

Opdracht: Word je eens bewust van al die incongruenties bij jezelf. En ga er maar vanuit dat het er heel veel zijn. Dat is namelijk menselijk in een manipulatieve samenleving. Je kan je wel afvragen of jij daarin mee wilt gaan.

De cliënt verkeert zelf in een chaotische toestand waarin niets consequent verloopt, of het moet via dwangmatige rituelen en processen gaan. De begeleider moet daar een verandering in aanbrengen. Dat wil zeggen dat deze een toonbeeld van congruentie moet zijn binnen de behandeling. Daaruit moet de cliënt vertrouwen kunnen putten. Onoprechtheid, oneerlijkheid of zomaar wat beweren is gevaarlijk.

Om congruente reacties naar de cliënt toe te kunnen geven, moet de behandelaar een gedetailleerde waarneming van situatie hebben, met veel open antwoorden waar de cliënt haar eigen definiëringen van kan ontwikkelen. Op deze manier kan de begeleider steeds meer ervaring opdoen in de waarnemingen van uitingen van de cliënt, en steeds beter doorgronden wat deze bedoelt. Uiteindelijk zal de begeleider zich steeds overtuigender en zekerder tegenover de cliënt kunnen uiten.

De Mentaal-Emotieve Training is een praktijk- en ervaringsgerichte methode. Congruent zijn naar de cliënt kan je vooral vanuit de praktijk leren, kijkend naar de verbale en non-verbale reacties van de cliënt. De behandelaar moet weten aan te sluiten bij de unieke genuanceerde belevingswereld van de cliënt en weten wat voor de cliënt de details zijn waar het om gaat.

Het is een kwestie van ervaring om de incongruentie van de cliënt in haar gedrag, waarvan denken en voelen onderdeel zijn, om te keren en haar voor te houden dat dingen in haar wel degelijk kloppend zijn. Door ervaring leert de begeleider daar steeds directer en opener over te communiceren. Op basis van waarneming kan de begeleider zijn of haar verhaal afbreken en vertellen wat deze bij de cliënt ineens ziet.

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

Essentie 5 Eén behandelaar, ook bij meerdere of complexe klachten

Alle vermogens van de cliënt worden via de Mentaal-Emotieve Training bij haar aangesproken: denken, voelen, doen, het symbolisch vermogen, bewustzijn, onbewuste, creativiteit, zintuiglijkheid. Door dit vanuit één vaste begeleider aan te sturen, vergroot dit de noodzakelijke congruente verandering bij de cliënt. Het vergroot ook bij de begeleider het inzicht over de congruente structuur van het concept van de cliënt. De combinatie van meervoudige klachten van de cliënt wordt integraal behandeld vanuit een eclectische1 en integratievemethode.    

1) Eclectisch verwijst naar een werkwijze waarbij gebruik wordt gemaakt van een combinatie van verschillende methoden.

2) De integratieve werkwijze brengt balans tussen denken, voelen, gedrag, lichaam en (spirituele) waarden. Al deze kanten binnen een persoon beïnvloeden immers niet alleen elkaar, maar ook de manier waarop deze persoon met zijn of haar leefomgeving omgaat. De mens met al diens individuele kwaliteiten, waarden en bijzonderheden staat centraal in de therapie.

De klachten bij cliënten zijn meestal meervoudig. Naast de meest waarneembare gedragsstoornis zijn er bijna altijd dwang- en angststoornissen op andere gebieden. En onder deze stoornissen zit als basis een identiteitsstoornis.

De cliënt is zichzelf, haar identiteit of haar concept, kwijt. Al deze verstoringen hebben dezelfde bron of zijn uit elkaar ontstaan. Uit de identiteitsstoornis kan veel twijfel en angst ontstaan. De angst wordt gecompenseerd met dwang, en de dwang uit zich vaak in verschillende gedragsstoornissen.

Al deze stoornissen kunnen door verschillende mensen worden behandeld en in ‘groot overleg’ tot een eenduidig profiel worden samengevoegd. De kans is groot dat verscheidene interpretaties tot verschillende visies en behandelmethoden leiden en tot verschillende bejegeningen van de cliënt. De verschillende begeleiders, elk met een andere achtergrond, nemen elk verschillende essenties waar in de verhalen of reacties van de cliënt.

Wanneer de cliënt met een enkele begeleider te maken heeft, die alle behandelinstrumenten beheerst om adequaat met de klacht om te gaan, ontstaat een beter inzicht in de drijfveren van de cliënt en hoe deze toegepast kunnen worden om de genezingsdoelen te bereiken.

Het belangrijkste instrument dat de begeleider moet beheersen is het onvoorwaardelijk luisteren en kunnen ontdekken waar de herstellende werkzame ingrediënten bij de cliënt liggen. Deze ingrediënten zijn vervolgens de treden van de trap die de cliënt samen met de begeleider mag bestijgen om steeds verder tot de beoogde resultaten te komen.

Het gaat niet om de kennis van de begeleider over ziekteprocessen en welke remedies daarvoor bekend zijn, maar om het onvoorwaardelijk waarnemen van de belevingswereld van die unieke cliënt, en vervolgens die remedies te vinden die bij de processen van de cliënt passen.

Inzicht in de essenties van de behandeling en toepassing daarvan zijn de instrumenten die de begeleider hanteert. Het zijn niet de interventies zelf. Zij zijn slechts de kapstokken die de begeleider gebruikt om de werkzame bestanddelen in de behandeling aan te brengen.

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

Essentie 6 Cliënt-georiënteerd interpreteren

De begeleider dient de betekenissen die de cliënt onbewust verbaal en non-verbaal uitdrukt, te interpreteren vanuit de algemene menselijke structuren en de individuele structuren van de cliënt. Door de waarden die deze betekenissen voor de cliënt hebben bij de cliënt bewust te maken, ontstaat het veranderingsproces bij de cliënt.

De individuele cliënt heeft sterkere afwijkingen in het gedrag dan de gemiddelde mens. Haar concept is anders dan gemiddeld en ook nog eens vervormd door een niet begrijpende opvoedende omgeving. Dat betekent dat de reacties van de individuele cliënt bijna altijd anders zijn dan te verwachten is.    

De behandeling begint bij het inventariseren van de structuur van de cliënt. Daarin liggen onderling toch wel herkenbare vaste patronen. De behandeling is vooral gebaseerd op het spiegelen van de eigen latent zichtbare structuur van het concept van de cliënt, waardoor deze steeds herkenbaarder en toegankelijker wordt voor de cliënt. De begeleider heeft geleerd om tussen de regels door de woorden, uitingen en betekenissen te herkennen die onbewust vanuit het concept in de communicatie merkbaar worden.

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

Essentie 7 Aandacht aan de aandacht geven

Aandacht geven aan de aandacht zelf. Aandacht geven aan alles wat zich tussen de cliënt, diens situatie en de begeleider als een eenheid afspeelt. Dit bevordert het congruente aanbod aan de cliënt.

Wij zijn maatschappelijk gewend om onze aandacht te richten op personen en situaties. Daarmee stellen we onszelf centraal en de ander of de situatie als onderwerp van aandacht. Het effect kan zijn dat wij een onbedoelde overdracht van ons eigen systeem op de cliënt loslaten. Dat was voor de cliënt ooit een van de belangrijkste veroorzakers van de klacht.  

Bij het verleggen van de aandacht naar het proces dat tussen de cliënt, de situatie van de cliënt en de begeleider ontstaat, wordt het proces neutraler en krijgt het systeem van de cliënt een grotere kans om zich op een zuiverdere manier te manifesteren. We noemen dit ‘aandacht geven aan de aandacht zelf’.

Aandacht geven aan de aandacht, stimuleert de aandacht voor de compleetheid van de situatie, met alle daarop inwerkende invloeden uit het grotere geheel rond de cliënt, zoals diens milieu, geschiedenis en verborgen interne reacties, maar ook dat wat de behandelaar inbrengt en teweegbrengt.

Opdracht: Wat wordt volgens jou bedoeld en beoogd met het begrip ‘aandacht geven aan de aandacht’?

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

Essentie 8 Overtuigende peptalk

Het ‘Stille luisteren’, wat de Mentaal-Emotieve Trainer doorlopend doet, lijkt zo in schril contrast te staan met een peptalk. Toch is het belangrijk dat de behandelaar alles wat deze waarneemt aan eigenheid van de cliënt, met kracht aan de cliënt terugspiegelt. Deze overtuigende peptalk is nodig om door alle weerstanden van de cliënt heen te komen, zodat de boodschap bij haar kan landen.   

Alles wat de cliënt uitdraagt en wat zich in het proces tussen de cliënt en de begeleider ontwikkelt, mag door de begeleider met enige kracht bij de cliënt naar binnen gebracht worden. Een fletse weergave in een gangbare dialoog komt vaak niet bij de cliënt binnen. Daarvoor zijn de afweermechanismen voor veranderingen bij de cliënt vaak te groot.

De begeleider dient enerzijds stil en onvoorwaardelijk luisterend te zijn, aan de andere kant dient de begeleider vol overtuiging te spreken, zodat dit ook bij de cliënt binnenkomt. De spiegel die de begeleider de cliënt voorhoudt mag een versterking zijn van datgene dat de cliënt (vaak onbewust) aan de begeleider laat zien. We noemen dit de peptalk.

De onvoorwaardelijkheid van de begeleider ten aanzien van de processen bij de cliënt en tussen cliënt en begeleider, beperken het risico van overdracht van het persoonlijke systeem van de begeleider naar de cliënt.

Opdracht: Wat zou bij jou de valkuil kunnen zijn bij het toepassen van een peptalk naar een ander toe? En wat zou je kunnen doen om dat te voorkomen?

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

Essentie 9 Kansrijk aan herstelmogelijkheden

De begeleider zal vanaf het eerste contact de cliënt ervan doordringen dat haar kansen positief zijn, als zij ervoor gaat.

De cliënt heeft de overtuiging ontwikkeld kansarm te zijn. Eerdere behandelingen hebben hieraan bijgedragen. Enerzijds door het uitblijven van resultaten, anderzijds door soms onhandige uitingen van de begeleider. Helaas schuiven veel begeleiders de verantwoordelijkheid voor het uitblijven van resultaten in de richting van de cliënt, die niet voldoende haar best zou doen of te ziek zou zijn en daardoor niet te helpen is.

In het eerste contact kan deze teneur aangetast worden door de cliënt duidelijk te maken dat zij wel degelijk goede kansen op herstel heeft, en deze stelling met heldere argumenten te onderbouwen. Alleen deze positieve benadering zet al een nieuwe toon in de motivatie van de cliënt.

Een van de argumenten ligt in de uitleg van het proces dat tot de klacht geleid heeft. Er zijn in principe geen schuldigen, maar vooral logische veroorzakers.

De grondhouding van de begeleider kan worden samengevat in de vraag: “Leg me eens uit waarom je niet uit je klacht zou kunnen komen?”. Het antwoord van de cliënt kan zijn dat alle eerdere pogingen mislukt zijn. Maar waren deze pogingen wel de juiste? En waren zij misschien steeds herhalingen van de zelfde methodieken? Als een methode de eerste keer niet aangeslagen is, zal deze alle volgende keren ook niet werkzaam zijn.

De Mentaal-Emotieve Training richt zich niet op de klacht maar op het proces van veroorzakers, instandhouders en het gedrag. Het richt zich op het geheel van invloeden die op de cliënt ingewerkt hebben en nog steeds actief zijn. En bij elke gedachteontwikkeling in het doorlopende onderzoek naar de eigenheid van de cliënt klinkt de vraag door: “Hoe waar is de gedachte of waarneming en hoe anders zou hij ook kunnen zijn, en misschien wel beter passend kunnen zijn?”

Het zijn niet de ideeën, de kennis en visie van de behandelaar die aan het veranderingsproces ten grondslag liggen, maar de doorlopende stimulering door de behandelaar van de persoonlijke en oorspronkelijke eigenschappen die de cliënt (vaak onbewust) laat zien.

Om de kans op herstel te vergroten is het belangrijk dat het proces van verandering op dat moment het belangrijkste in het leven van de cliënt mag zijn.

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

Essentie 10 Ordening scheppen      

Cliënten leven in een chaos. Daarom is ordening scheppen bij de cliënt, door deze weer haar eigen plaats in haar leven te geven, een van de belangrijke essenties in de behandeling.

Onderscheid en eenheid bij de cliënt aanbrengen en laten ervaren, in bijvoorbeeld de tijdselementen, of in de beleving van het verschil tussen ‘ik en de ander’. De verandering van perspectief, cognitie en emotie, ideeën en feiten; het verschil tussen wat de cliënt leerde en hoe zij dit zelf anders heeft ervaren. Via deze factoren ordening in de chaos scheppen en de cliënt steeds meer met het eigen concept vertrouwd maken.

De cliënt leeft in een chaotische en willekeurige structuur. Zij heeft het onderscheid tussen maatschappelijke factoren vervaagd tot een onderling samenhangende brei. Zij vindt vanuit die positie haar eigen plek niet meer. 

Alles is een ondefinieerbaar geheel met hooguit accentverschillen. Ze onderkent haar eigen belang niet meer ten opzichte van de belangen van de ander. Zij ervaart haar eigen integriteit niet als waardevol, waar een ander vanaf moet blijven.

De tijdseenheden liggen ook door elkaar heen waardoor mislukkingen uit het verleden naar de toekomst worden verplaatst en daar ook weer als kansarme mogelijkheden tot beperkingen worden vervormd. De toekomst is beangstigend en staat ver van de cliënt af. Daardoor mist zij kansrijke perspectieven.

Een van de eerste praktische interventies is de cliënt te laten ervaren wat de verschillen zijn tussen het hier en nu, het verleden en de toekomst, en welk verschil er is tussen de IK en de ander.

De cliënt leeft in dissociaties en onderkent maar een vage scheiding tussen idee en feit en tussen denken en voelen. Het voelen staat op een grote afstand en wordt zoveel mogelijk ontweken. Cognitie en emotie mogen weer als gescheiden elementen in balans komen. Daarmee wordt de werkelijkheid benaderbaar en inzichtelijk.

We mogen er vanuit gaan dat de meeste cliënten die via de Mentaal-Emotieve Training behandeld worden een bovengemiddelde intelligentie bezitten, en deze intelligentie als vluchtheuvel gebruiken om te overleven.

Pas als de cliënt onderscheid ervaart in de verschillende elkaar beïnvloedende elementen, in de tijd en tussen zichzelf en haar omgeving, kan zij haar plek vinden in de samenleving. Pas als zij weet van waaruit zij de dingen doet komt zij bij zichzelf; bij haar eigen concept. Dat is het begin van de ontdekking wie zij is.

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

Essentie 11 Psycho-educatie         

In het verlengde van het scheppen van ordening bij de cliënt ligt de psycho-educatie. De logica laten inzien van alle gevolgde processen van de cliënt die op een logische wijze tot de klacht geleid hebben, en het aanvaarden hiervan.

De cliënt is cognitief ingesteld en daarin voor de veranderingsprocessen goed aanspreekbaar.   

De processen waarin de cliënt verkeert zijn logisch. Om deze verschillende processen direct of metaforisch op cliëntniveau uit te leggen, zijn meer dan honderd specifieke interventies ontwikkeld. Zij demonstreren ook het gehele proces van de behandeling.

De filosofische vragen over maatschappelijke factoren, kennis en aannames worden ook op hun relatief hoge niveau met hen besproken. Daarnaast kan veel op educatieve wijze duidelijk gemaakt worden wat de bedoelingen en effecten van interventies zijn, of van maatschappelijke processen of situaties. Niets hoeft voor de cliënt geheim of vaag te blijven. Alles is uitlegbaar en dat vergroot de veiligheid voor de cliënt.

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

Essentie 12 Het bewuste en onbewuste

Er is een samenwerking tussen bewustzijn en onderbewustzijn, en het is van groot belang de onbewuste drijfveren te kennen als veroorzaker van gedrag.

De veroorzakers en instandhouders behoren bijna altijd tot de onbewuste drijfveren, die diep weggezakt zijn. Daarnaast ligt het overgrote deel van het concept in het onbewuste gebied. Ook daarin liggen de drijfveren voor het gedrag. 

De cliënt is in het algemeen cognitief ingesteld. Daarom is het juist van belang om de onbewuste drijfveren bewust te maken. Zo kan de cliënt geleidelijk aan steeds meer van haar eigen concept ontdekken en dit steeds meer bewust gaan toepassen.

Wanneer de cliënt meer contact wil ervaren met haar concept, dient dit concept tenminste gekend te worden. De meest effectieve manier om dit concept praktisch in de dagelijkse activiteiten te kunnen toepassen is de kenmerken vanuit het concept die tot gedrag leiden naar het voorbewuste te brengen. Het voorbewuste ligt tussen het onderbewuste en het bewuste, en alles wat daarin opgeslagen ligt, ligt klaar om onbewust-bewust toegepast te worden. Het is een van de fases van bewustwording van onbewuste processen.

Het doel van het veranderingsproces bij de cliënt is het concept vanuit de diepte van het onbewuste naar het voorbewuste te krijgen, zodat alle activiteiten van de cliënt direct gevoed worden vanuit het voorbewuste en niet van diep verscholen aangeleerde patronen die geen natuurlijke binding met het concept hebben.

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

Essentie 13 Emotie contra cognitie

Bij het voortschrijdend inzicht van de cliënt in diens herstelproces slaat de emotie ineens toe en torpedeert een belangrijk deel van de nieuwe cognitieve verworvenheden, waardoor er terugval ontstaat.

Door tijdens het gehele cognitieve proces steeds de emotie te toetsen aan de veranderingen in de cognitie, en de weerstand daarvan op te roepen, zal het proces een betrouwbaarder en duurzamer verloop krijgen.     

Een terugval in de behandeling werkt demotiverend voor de cliënt. Zeker wanneer eerdere behandelingen geen resultaat hadden. De reactie bij de cliënt is dan meestal dat zij het toch niet kan. Behalve de teleurstelling, is ook nieuwe twijfel bij de cliënt gezaaid. Enerzijds de twijfel of zij wel kan veranderen, anderzijds of de veranderingen wel juist zijn. De emotie is vaak de bewaker van de cognitie, dat deze geen verkeerde beslissingen neemt.

Om terugval te voorkomen is het beter niet alleen resultaat na te streven vanuit de cognitieve benadering, maar de emotionele beperkende invloed op het resultaat direct in het actuele proces te integreren. Het herstel of veranderproces zal daarmee minder snel zichtbaar worden, maar elke verbetering heeft een grotere kans om blijvend te zijn.

Opdracht: Herken je bij jezelf of bij anderen dat emoties van ervaringen uit het verleden invloed hebben op gewenste (cognitieve) veranderingen? Dat veranderingen cognitief redelijk snel opgepakt worden in voornemens, maar dat de emoties daar op den duur toch weer belemmerend op reageren?

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

Essentie 14 Filosofie, onderzoeken ‘hoe waar is waar’

De Mentaal-Emotieve Training gebruikt de filosofie als onderzoeksinstrument om vast te stellen hoe de werkelijkheid ook kan zijn; dat deze vaak anders is dan zij zich voordoet of gekend wordt. Veel dingen zijn zoals ze zijn, maar veel dingen blijken vaak toch anders te zijn dan ze lijken. Dit onderscheid ontdekken is een van de eerste stappen die kan leiden tot het ontdekken van het eigen concept.

Onze cliënten leven vaak in een zichzelf beperkende werkelijkheid van ideeën. En die werkelijkheid is juist vaak de illusie die hen van de beter aansluitende werkelijkheid afhoudt.

Dat maakt de vraag relevant hoe waar de waarneming of de conclusie is. Welke nieuwe perspectieven doemen op als we van waarnemingspositie veranderen, of als de te onderzoeken vraag anders gesteld wordt; als de te onderzoeken werkelijkheid vanuit andere criteria onderzocht wordt.

Dit aspect van de Mentaal-Emotieve Training heeft raakvlakken met cognitieve therapieën, met als belangrijkste verschil dat het gebruik van de filosofie in de Mentaal-Emotieve Training verdergaand is. Ook dingen die in de maatschappij als vanzelfsprekendheden of waarheden worden gezien, worden aan kritische vragen onderworpen. De cliënt heeft bij haar opgroeien last gehad van deze uitingen vanuit de maatschappij en mag daarvan loskomen en teruggaan naar de eigen oorspronkelijke ontwikkeling vanuit het eigen concept. Alles mag benoemd worden, en alles mag bevraagd worden.

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

Essentie 15 Inspiratie, motivatie, zingeving        

Een van de belangrijkste kernen van de Mentaal-Emotieve Training is de cliënt te inspireren en te motiveren om haar kracht te vinden; om de zin van haar bestaan te gaan herontdekken. Deze kracht zit in haar concept.

In tegenstelling tot wat de samenleving van de cliënt wil, dat deze voldoet aan de eisen van de maatschappij, en dat zij haar zwaktes die de maatschappij hinderen, gaat bevechten, werkt de Mentaal-Emotieve Training juist aan het versterken van de eigenheid. De versterking van deze eigenheid, hoeft niet ten koste te gaan van de afstemming op de samenleving, maar zal wellicht voorbij gaan aan specifieke eisen, gesteld door specifieke individuen of groepen.   

De motivatie en inspiratie ontwikkelen zich juist op het individuele en menselijke vlak. Eigenlijk is het professionele therapeutische werken vanuit ongelijkwaardigheid, afstandelijkheid, doelen en protocollen daar strijdig mee. Het samen ontspannen onderzoeken van de conceptuele eigenheden van de cliënt, vraagt niet alleen om objectieve maatstaven, maar juist om de mogelijkheden de kracht van de persoon steeds verder te vergroten. En aan de zich aandienende kracht zitten ketens van krachtige kwaliteiten die uiteindelijk leiden tot een krachtige persoonlijkheid. Deze kwaliteiten zullen een ander cultureel deel van de samenleving kunnen ondersteunen dan de samenleving wellicht van de persoon had verwacht. Voorbeeld: uit een economisch gerichte groep kan zich een persoon ontwikkelen die zich niet aan financiën kan binden, maar aan de ecologie van de natuur, of de bescherming van de rechten van mensen en dieren. En andersom kan ook.

Deze visie heeft veel overeenkomsten met de sterk groeiende zogeheten ‘positieve psychologie’, die zich ook op de kracht van de persoon richt in plaats van op zijn klacht of beperkingen.

Wanneer het schema van het menselijk concept bekeken wordt, wordt het duidelijk dat de Mentaal-Emotieve Training de cliënt aanspreekt op zijn inspiratie en motivatie en daarbij de zingeving van diens bestaan daarin meeneemt. De inspiratie en motivatie zijn per definitie non-specifiek.

De methode leidt de persoon vanuit deze eigen inspiratie/motivatie naar het tweede non-specifieke deel van het concept: de spiritualiteit/filosofie/verbondenheid. De spiritualiteit betreft meestal niet te beantwoorden vragen die door de filosofie meer inzichtelijk gemaakt worden. De filosofie zoekt heel concreet naar de werkelijkheid van de persoon, en gebruikt daarvoor de verbinding waarmee zij samen met de spiritualiteit een eenheid vormt. Deze eenheid legt weer verbinding met de eenheid ‘Vaardigheden & Criteria’. En zo zal het proces binnen de cliënt zich steeds verder uitbreiden naar de conceptdelen en een beleving gaan ontwikkelen van compleetheid en congruentie. En dan klopt alles voor de persoon.

Uit: ‘Handboek Mentaal-Emotieve Training’

 

 

Alle rechten voorbehouden. Geen aansprakelijkheid op de getoonde inhoud van deze website.