Behandeling Het ontstaan van klachten

 

Het ontstaan van klachten

Het ontstaan van klachten is een complex proces, waarin vaak veel verschillende aspecten een rol spelen. Genetische aanleg, persoonlijkheid, (sub)cultuur, ervaringen en dergelijke kunnen hier allemaal op van invloed zijn. Soms zijn oorzaken duidelijk aan te wijzen, soms is het moeilijker te achterhalen wat maakt dat je tegen bepaalde dingen aanloopt in je leven. Bij IMET vinden we het belangrijk om gedurende de behandeling te ontdekken wat bij jou oorzaken zijn geweest waardoor jouw klachten ontstaan zijn. Dat helpt bij het vinden van passende oplossingen op individueel niveau. Bij IMET komen we regelmatig tegen dat klachten ontstaan door een miscommunicatie tijdens het opgroeien als kind. Ook komt het voor dat de aanleiding voor het ontstaan van klachten een terloopse opmerking is geweest, waar de persoon op dat moment en in die omstandigheden veel waarde aan gehecht heeft. Vaak ben je die situatie al lang weer vergeten, maar onbewust kan het toch invloed gehad hebben op keuzes die je maakte.

Aangeboren kwaliteiten en wat daarmee kan gebeuren

Ieder mens krijgt bij zijn of haar geboorte kwaliteiten mee. Een aantal daarvan zijn herkenbaar als familietrekken en een aantal lijken door het kind zelf meegebracht te zijn. Het totaal aan kwaliteiten past meestal redelijk in de omgeving van de persoon. Op die manier groeit het kind op in normen en waarden, met ideeën en belevingen, en met mogelijkheden en beperkingen waar het goed mee kan leven.

Soms worden ook kinderen geboren die naast de familiekenmerken een aantal krachtige eigen kwaliteiten meebrengen. Zolang deze kwaliteiten door de omgeving gestimuleerd worden om tot ontwikkeling te komen, zal het kind er vooral voordeel aan hebben.

Als deze eigen kwaliteiten echter een niveau en een diversiteit krijgen die door de omgeving (samenleving) niet opgemerkt worden of niet tot ontwikkeling gebracht worden, ervaart het - meestal nog erg jonge en rijk begaafde - kind dit als een ontkenning van de eigenheid; een ontkenning van zijn of haar complete identiteit. Dit proces vindt vooral plaats op onbewust en overtuigingsniveau. Het kind blijft steken in zelfbeschuldigingen zoals: “Ik kan het niet”, “het ligt aan mij” of “ik ben schuldig”.

 

Miscommunicatie

De ervaringen bij IMET tonen aan dat veel klachten of stoornissen hun oorsprong vinden in een miscommunicatie in het vroegste ontwikkelingsstadium van het kind. De miscommunicatie vindt haar oorsprong in de uiteenlopende systemen tussen het kind en de opvoeders. Het kind maakt bijvoorbeeld gebruik van een sterk afwijkend belevingssysteem ten opzichte van het belevingssysteem van de opvoeders. Dat betekent dat het systeem van het kind en de opvoeder elkaar in de communicatie niet begrijpen.

Vaak beleeft het kind de dingen veel genuanceerder; ervaart het veel meer details in zijn waarnemingen dan de opvoeder. Het wil juist deze details communiceren, want daarin liggen meestal de accenten voor het kind. Het kind kan een bepaalde beleving met een specifieke kleur hebben, of met een vorm of detail uit iets groters, die door de opvoeder niet of onvoldoende opgemerkt of gerespecteerd wordt. Het kind kan zich, door de herhaling van het uitblijven van een adequate reactie, onbegrepen gaan voelen. Een opeenstapeling van onbegrip kan leiden tot een gebrek aan zelfvertrouwen en vertrouwen in anderen, en daardoor een gebrek aan gevoel van veiligheid.

In een aantal gevallen kunnen de nuanceringen van zowel het kind als van de opvoeder wel een gelijke bandbreedte hebben, maar de oriëntatie kan totaal verschillend zijn. De opvoeder kan bijvoorbeeld cognitief genuanceerd zijn, terwijl het kind een zeer genuanceerd gevoel heeft, of de één is visueel ingesteld en de ander auditief. Een zeer genuanceerd denkende jurist begreep zijn zeer genuanceerde kunstzinnige dochter niet. Ze spraken beiden op hetzelfde niveau, maar in een andere taal. Het kind kan ook heel optioneel zijn, zeer bewegelijk in zijn ideeën en in de dingen die het doet, terwijl de opvoeder procedureel is; nauwgezet in procedures leeft en deze strak en consciëntieus hanteert. Beide systemen communiceren niet omdat ze anders georiënteerd zijn; andere waarden aan dingen toekennen.

Twee voorbeelden:

Een echtpaar dat doorlopend conflicten had, kon het nooit eens worden bij de aanschaf van iets groots. Beiden vonden elkaars keuzes maar niks. Hij bleek kinesthetisch te zijn en zij was visueel gericht. De fauteuil die zij mooi vond, vond hij niet lekker zitten, en had hij eindelijk een lekker zittende fauteuil gevonden, dan vond zij hem niet mooi.

De opvoeder kan zeer zorgzaam zijn en het kind zeer avontuurlijk. Het kind stresst de ouder door zijn ‘onverantwoordelijk’ gedrag; de ouder werkt verstikkend op het kind vanuit zijn ‘angstige’ of ‘paniekerige’ gedrag. Beide partijen beoordelen elkaar vanuit hun eigen subjectieve waarden. Is er een schuldige? Nee! Er zijn verschillende systemen waardoor mensen verschillend reageren in hun communicatie.

Vaak heeft het kind ook sensoren die op andere signalen gericht zijn dan wat de omgeving ervaart. Soms gaan deze verschillen gepaard met overgevoeligheid voor prikkels zoals geluid, geur, smaak, licht, kledingstoffen, metalen, medicijnen of voedingsmiddelen. Ook kunnen deze mensen zeer gevoelig zijn voor sfeer; dan pakken zij latente conflicten al op voordat zij tot uiting komen. Vaak zie je dat het kind een vredestichter wordt of zelfs de functie van een ouder voor de eigen ouder inneemt.

Deze sterke nuanceringen en overgevoeligheden bieden een welwillende voedingsbodem om onveiligheid te versterken. Er is niet zoveel voor nodig om deze mensen onzeker en angstig te maken en te kwetsen. Ze kunnen de dingen vaak zo moeilijk uitleggen en ervaren een toenemend isolement en eenzaamheid.

Veel van deze mensen ervaren voortdurend vereenvoudigde zekerheden in hun omgeving, die hen als onaantastbare waarheden door autoriteiten worden opgelegd. Daarentegen zijn zij, juist vanuit hun eigen gedifferentieerde vermogens, zoekers naar mogelijkheden, en geboren ontdekkers van nuances in de dingen om hen heen. Dit eigen systeem en de indoctrinatie van de vreemde systemen zorgt voor innerlijke conflicten en spanningen. Ze weten niet of ze hun eigen waarnemingen en conclusies wel mogen vertrouwen. De vereenvoudigde zekerheden hebben hen geleerd om zwart-wit te gaan denken. Dit geldt ook voor de ongenuanceerde keuze wie er gelijk heeft: de autoriteit of zij.

Zo zien we dat iemands kwaliteiten tot diens valkuilen kunnen leiden. De ontkenning van de eigenheid, of de ballast om ouder over je ouder te zijn, kunnen teveel worden en op een onbewaakt moment omslaan in een angst- of paniekreactie.

 

Compensatiegedrag

Mensen hebben een drang in zich die ervoor zorgt dat de aangeboren vermogens in meer of mindere mate tot ontwikkeling kunnen komen. Bij sommige mensen is deze drang erg sterk aanwezig, bij anderen minder sterk. Als een kind, voorzien van een sterke drang om haar vermogens te ontwikkelen, opgroeit in een samenleving die al die extra's van dat kind niet waarneemt, zal dat kind de bevestigingen ontberen die zij nodig heeft. Haar ontwikkelingsdrang zal dan naar wegen zoeken om die aangeboren vermogens toch te kunnen ontwikkelen.

Vaak ontstaat dan compensatiegedrag. Meestal gebeurt dat voor een aantal van de aangeboren vermogens, soms ook voor álle talenten. Het jonge kind - meestal in de leeftijd van de beginnende basisscholier - ontwikkelt geheime rituelen, ideeën en belevenissen die de kwaliteiten moeten gaan invullen die zich niet op een natuurlijke manier kunnen ontwikkelen. Zo kunnen obsessieve gedachten en gedragingen ontstaan, die weer door andere interne regelsystemen worden vastgezet tot onbeheersbare en vergroeide overtuigingen.

Deze kinderen voegen zich naar hun omgeving en lijken probleemloze vrolijke kinderen te zijn die precies weten wat goed is en wat niet goed is. Het probleem is dat zij zichzelf daarbij ontkennen, zich doorlopend aanpassen en voegen. De gedachte hierachter is “als ik me maar voeg, vinden de mensen mij aardig; dan krijg ik wat ik nodig heb: liefde, begrip en respect”. Maar het is ‘valse hoop’. Hun gedrag levert ze uiteindelijk niets op. Het kost ze alleen hun eigen identiteit. De meeste mensen met een eet-, angst-, dwang- of identiteitsstoornis ervaren geen bodem onder hun bestaan. Een grote leegte of persoonlijke afwezigheid. Het is alsof alles van henzelf is weggevallen en zij alleen nog maar vanuit gedrag en oppervlakkigheid kunnen reageren. Het meest pijnlijke is dat juist deze mensen onbewust de drang hebben om zich te uiten. Zij weten alleen niet meer waarin zij dat kunnen. Een eet-, angst-, dwang- of identiteitsstoornis, ongeacht welke vorm, is een uiting van ontkenning van behoeften en compensaties in behoeften die juist niet overeenkomen met hun oorspronkelijke aangeboren persoonlijkheid.

Dit 'kwaliteitsontwikkelende systeem' van compensaties volgt dan voor buitenstaanders onnavolgbare routes. Deze routes kunnen op veel terreinen zulke afwijkende vormen in gedrag veroorzaken dat zij ongewild reacties uit de omgeving oproepen. Door deze reacties kan het kind nog meer in verwarring raken, zich nog minder begrepen voelen. Het raakt in een groter isolement en in een versterkte overtuiging dat het niet oké is. Elk kleine foutje wordt opgeblazen en als bevestiging aanvaard dat de persoon steeds weer faalt. Dit is een sluipend proces, waarin het kind een ‘aangeleerde psychische stoornis’ ontwikkelt. We mogen dit proces vergelijken met een bovenmatig intelligent kind dat op een school zit voor kinderen met een doorsnee intelligentie. We weten dat als zo'n kind geen extra geestelijke voeding krijgt, het in de problemen kan komen en vaak afdaalt tot de laagste regionen van de prestaties. 

Mensen met een aangeleerde psychische stoornis zijn meestal kwetsbaar geworden door hun doorlopende ervaring dat ze niet begrepen zijn. Ze hebben onvoldoende geleerd voor zichzelf op te komen en zijn daarom een makkelijke prooi voor misbruik, pesten of klein houden. Hun kwetsbaarheid maakt ze extra gevoelig voor traumatische ervaringen als bedreigingen, verlies of geweld. De daaruit ontstane onzekerheid, of zelfs angst, leidt tot toename van het compensatiegedrag en vervangende doelen. De persoon ervaart zichzelf als onwaardig, bouwt daar een overtuiging op en moet steeds meer en beter presteren. Zo ontstaat een neerwaartse spiraal die steeds meer energie kost en stressverhogend werkt. Uiteindelijk gaat er zoveel energie en obsessieve aandacht naar het onbeheersbare gedrag, dat de persoon niet meer kan functioneren.

Het lijkt erop dat de vorm van het compensatiegedrag - bijvoorbeeld een eetstoornis, of een angst-, dwang- of identiteitsstoornis - ontstaat uit persoonlijke en onbewuste voorkeuren die bijvoorbeeld genetisch bepaald zijn of vanuit de opvoeding versterkt zijn.

 

Werkelijk probleem

Het kernprobleem van deze mensen ligt niet in hun genuanceerdheid, gedifferentieerde belevingen of sterke gevoeligheden, maar in de gebrekkige ervaring om daar adequaat mee om te gaan. Ze zijn er onvoldoende in begeleid om met deze talenten om te gaan. In plaats van dat ze er voordeel aan ondervonden, werden het de valkuilen die leidden tot hun huidige positie.

 

Waarom hulp nodig is

Doordat de persoon onderdeel is van het proces dat voor het overgrote deel in het onbewuste werkt,  is het haast onmogelijk om zonder begeleiding tot adequate oplossingen te komen. Juist in dat onbewuste liggen de meeste onbekende drijfveren en argumenten die blijvende veranderingen in de weg staan. Al deze onbekende drijfveren kunnen een bewust gekozen en doorgevoerde verandering weer vaak ongemerkt terugtrekken naar de oorspronkelijke ongewenste positie.

Je gedachten, gevoelens, ervaringen en herinneringen, die we samenvatten onder het begrip ‘systeem’, maken je tot een onverbrekelijk onderdeel van je eigen proces. Je bent niet vrij en objectief om iets anders te gaan doen dan wat je al deed. Als je wel die vrijheid had, was je allang van je probleem afgekomen.

We hebben het hier over een ernstig en diepliggend probleem. Natuurlijk kennen we situaties waarin iemand zijn gedrag is gaan beheersen. Dat is dan ook een topprestatie, maar de energie die zo iemand daarin blijvend moet steken, is niet gering.

Bezorgdheid, angst en paniek daarover werken contraproductief. Daartegenover staat dat meegaand luisteren, aandacht voor hun manier van denken, voelen en beleven, en een groot respect voor diegene die zij zijn, hen kan helpen. Zij verdienen de goede hulp, om veel redenen.

 

Conclusie

Mensen met een angst-, dwang-, identiteit- of eetstoornis zitten fundamenteel anders in elkaar dan de doorsnee mens. Ze hebben vaak zoveel meer te bieden, wat nooit bij hen ontdekt is. Ze lijden aan een zich steeds verder opstapelende ontkenning van hun fijngevoeligheid in nuances en differentiaties. Zij passen moeilijk in een generaliserende samenleving die voor hen bepaalt hoe gedifferentieerde dingen samengevoegd worden tot één ongenuanceerd geheel. 

Naar de visie van IMET is een angst-, dwang-, identiteit- of eetstoornis in beginsel geen ziekte maar een verstoring op communicatief niveau. En zover wij hebben kunnen vaststellen, lijden met name mensen met een bovengemiddeld geestelijk en emotioneel vermogen, afgemeten aan hun milieu, aan zo'n stoornis. We benadrukken het begrip 'beginsel', want de stoornis kan uiteindelijk wél tot zeer ernstige en zelfs dodelijke ziektes lijden. Behandeling is daarom noodzakelijk. 

Ook wanneer er (nog) geen sprake is van een stoornis, maar er wel belemmerende klachten zijn die als storend ervaren worden, is behandeling belangrijk. Op tijd ingrijpen helpt ernstigere klachten voorkomen en maakt dat klachten vaak sneller op te lossen zijn. Neem bij twijfel gerust contact op om te overleggen of behandeling bij IMET aan te raden en mogelijk is.

 

Alle rechten voorbehouden. Geen aansprakelijkheid op de getoonde inhoud van deze website.